NYCEWAY

Nynke Cevik

 

LIEFDE BEN JE DAAR ALTIJD AL

 

LEESVOER VOOR HART EN ZIEL

Buiten douchen

‘Wanneer is de regen nou op papa?’ vraagt Tim. Dit is de zevende dag van de vakantie dat de regen met emmers tegelijk uit de lucht valt. Papa en mama hebben beloofd dat ze allemaal leuke dingen gaan doen, maar alles is koud, grijs en nat. Heel erg nat. Tim wordt er een beetje verdrietig van. In het begin was het nog wel leuk. Net als douchen, maar dan buiten, met zijn mooie nieuw gele regenlaarzen aan.

 

Vanochtend wordt hij wakker met weer een harde regenbui op het dak van de tent. Ineens heeft hij er genoeg van. Overal blubber. Alles vies. Straks drijft hun tent nog weg in het water! Papa kijkt Tim aan met zijn verdrietige gezicht. Dat is zijn beste gezicht. Dan trekt hij een grote puillip en doet of hij moet huilen.

‘Nee papa, niet huilen, dan komt er nog meer water bij,’ roept Tim. Zijn papa is toneelspeler. Dan kun je net doen alsof je iets anders bent dan in het echt. Jammer dat papa geen tovenaar is en de regen kan laten ophouden.

‘Ga mama maar wakker maken,’ zegt pap ineens weer vrolijk. Dan kijken we of de auto nog wel kan rijden door al die modder en rijden we net zo lang tot het droog is. Dat klinkt goed, denkt Tim en hij kruipt tegen mama aan. Zachtjes begint hij over haar rug te kriebelen.

‘Hé wat voel ik op mijn rug? Druppelt die stoute regen nou ook al onze tent binnen?’ moppert mama zachtjes en nog slaperig. Ineens draait ze zich en begin Tim te kietelen.

‘Hou eens op vervelende regen, ga je weg nou, verdwijn, of ik kietel je dood!’ roept mama. Tim probeert te ontsnappen en roep zijn vader om hulp. Papa staat half op in de lage tent. Zijn hoofd drukt tegen het vochtige dak. Hij grijpt Tim aan de broek van zijn pyjama en tilt hem omhoog. Weg van de kietelende vingers van zijn moeder. Met Tim zwaaiend tussen hun in rennen papa en mama op hun regenlaarzen naar de doucheruimte. Dat water is in ieder geval lekker warm.

 

Als ze met z’n drietjes onder een grote paraplu teruglopen naar hun tent gebeurt er iets vreemds. Ineens zijn er heel veel vogels in de lucht. Grote witte vogels. Het zijn er zoveel dat er geen regendruppel meer tussendoor kan glippen. Heel even is het voor het eerst in weken helemaal droog, terwijl de hemel eruit ziet als één grote witte wolk. Verbaasd blijven ze alle drie omhoog kijken langs de rand van hun grote regenboog paraplu. Ineens vliegen de witte vogels uit elkaar. Het water dat ze hebben tegengehouden plenst in één keer naar beneden. Op de plek waar het terecht komt, op het speelveldje van de camping, ontstaat een klein meertje. Zien ze dat nou goed? Zwemmen daar drie zwanen in het meertje? Waar komen die nou ineens vandaan? Langzaam loopt Tim met papa en mama naar de zwanen toe.

‘Kijk dan pap, wat zijn ze groot,’ zegt Tim.

‘Ja het lijkt wel het grote broertje van de normale zwaan,’ knikt papa verbaasd.

‘Komt dat door de regen mama? Dat ze zo groot geworden zijn?’ gaat Tim opgewonden door met vragen. Papa kijkt om zich heen of er meer mensen de reuzenzwanen zien. Het lijkt alsof iedereen de camping verlaten heeft, op de vlucht voor de regen. Als ze vlak bij de zwanen zijn, zien ze dat deze alle drie een soort stoeltje op hun rug hebben. In drie verschillende kleuren. Tim rent het laatste stukje door het water naar de kleinste zwaan met het gele stoeltje.

‘Voorzicht jongen,’ roept mama. ‘Misschien wordt hij boos en pikt hij je.’

Maar nee, dat doet hij niet. Hij begint geluid te maken. Alsof hij lacht en wil zeggen: ‘kom, stap op, ik breng je naar de zon.’ Als betoverd klimt Tim op het gele stoeltje. Voordat zijn ouders in kunnen grijpen, zien ze Tim ineens de lucht in gaan, met een enorme grijns op zijn gezicht. Papa kijkt mama aan en haalt zijn schouders op.

‘Laten we ook een keer iets geks doen, alles is beter dan de regen. Kom op erachteraan!’

Zo snel als ze kunnen klimmen ze op het blauwe en rode stoeltje en gaan het gele stoeltje acherna.