NYCEWAY

Nynke Cevik

 

LIEFDE BEN JE DAAR ALTIJD AL

 

LEESVOER VOOR HART EN ZIEL

Even naar de maan

 

‘Mama, ik ben even naar de maan.’

‘Is goed Mark, maar voor het eten weer terug,’ zegt mama streng.

Of hij het hoort is maar de vraag, want Mark is al weggerend. Opgewonden over zijn nieuwe avontuur. Hij moet niet vergeten de juiste spullen mee te nemen naar de maan. Op zijn buik kruipt hij onder het bed. Rekt zich héél ver uit en kan dan net bij de grote rugzak die altijd mee op vakantie gaat. Hij moet zich goed voorbereiden als hij voor het eten al weer terug moet zijn. Mama kan heel boos zijn als hij te laat thuiskomt, zelfs als hij helemaal naar de maan gaat. Voor straf mag hij dan vanavond niet op de IPad en die hebben ze misschien niet op de maan.

Met een rugzak vol warme kleding, een picknickkleed en zo veel lekkers als hij kan dragen, gaat Mark op pad. Op zoek naar de raket die hem naar de maan moet brengen. Hij loopt door het park en kijkt op de plattegrond die hij van het groene mannetje heeft gekregen. Het is een beetje dom van hem dat hij niet naar de naam van het mannetje heeft gevraagd. Dan kon hij hem roepen als hij de weg niet kan vinden. Zeven nachten achter elkaar heeft het mannetje hem nu al opgezocht en vertelt over zijn huisje op de maan. Geen huis zoals wij hier op aarde hebben, maar een soort bol van glas met allemaal mooie kleuren van binnen. Het mannetje heeft de bol zo goed beschreven dat Mark hem makkelijk na zou kunnen tekenen. Bij de zevende boom moet hij onder de struiken kruipen.

 

Met moeite sleept hij de grote rugzak achter zich aan die steeds zwaarder wordt door alle takken en onkruid die eraan blijven hangen. Heeft hij niet te veel spullen meegenomen? Misschien heeft hij niets nodig op de maan? Wat had het groene mannetje eigenlijk voor kleding aan? Die heeft het vast niet koud op de maan.

Zonder rugzak kruipt Mark puffend verder. Hij heeft het warm, zo warm! Ineens valt hij naar beneden. Mark glijdt langs de randen van een grote kuil en probeert zich ergens aan vast te grijpen. Het gaat zo hard dat hij een beetje bang wordt.

Hij wordt opgevangen door een groot net en terwijl hij even hijgend ligt uit te puffen ziet Mark ineens zijn groene mannetje in een kring staan. Hij is niet alleen. De kring bestaat uit heel veel groene mannetjes, die allemaal op elkaar lijken. Het is moeilijk te zien of ze hem vriendelijk toelachen of juist boos kijken. Hun gezichten lijken meer op dieren dan op mensen. Ze beginnen ineens aan het net te trekken waarin hij ligt en langzaam wordt Mark steeds hoger de lucht in gegooid. Zou dat het begin van zijn reis naar de maan zijn? Opgewonden kijkt Mark bij elke zwaai omhoog, steeds hoger, om zich heen of hij ergens de raket ziet staan. Op goed geluk begint hij vragen te stellen. Hij kijkt het ene na het andere mannetje in de kring aan. Hij voelt zich steeds slaperiger worden, terwijl hij in al die enorme zwarte ogen van de kring kijkt, maar hij houdt vol. Ineens geeft zijn eigen mannetje antwoord. Mark herkent zijn hoge piepstemmetje uit duizenden.

 

‘Mark, vriend, denk aan wat je mama hebt beloofd. Vandaag hebben we geen tijd meer als je thuis moet eten, piept het mannetje.

‘Ga op de kop van de rode glijbaan daar af en je bent in een wip weer thuis.’

‘Hè wat jammer nou,’ zucht Mark teleurgesteld. Hij klimt uit het net, gaat op zijn buik op de rode glijbaan liggen en zet zich af. Met de armen vooruit glijdt hij steeds harder en harder naar beneden. Hij snapt niet goed hoe hij thuis kan komen als hij naar beneden gaat in plaats van naar boven, maar zijn nieuwe vriend zal het wel weten. Hij had toch geen stap meer kunnen zetten, want de batterijen in zijn benen zijn op en nu hoeft hij gelukkig alleen te glijden en te glijden en te glijden…

 

Slaperig opent Mark zijn ogen als hij iets op zijn wang voelt kriebelen.

‘Slaap lekker mijn kleine maanmannetje,’ hoort hij zijn moeder van heel ver.

‘Hè, ligt hij nou ineens thuis in zijn eigen bed?’