NYCEWAY

Nynke Cevik

 

LIEFDE BEN JE DAAR ALTIJD AL

 

LEESVOER VOOR HART EN ZIEL

Aardedonker

De natte aarde tussen haar handen geeft verkoeling. Zware onweersbuien zijn gisteren voorbij getrokken. Ze ligt nog lang wakker nadat ze de kinderen weer in hun bed heeft getild. Onur is nog niet thuis.

Op haar knieën voelt ze het wasemende vocht uit haar moestuin omhoog komen. Het meeste water is na de langdurige droogte gretig opgeslokt door aarde en groente, maar de tuin heeft de overvloed niet geheel kunnen verwerken. De kamillebloemen laten hun trotse gele kernen door de zon verwarmen. Met haar gezicht vlakbij de donkere aarde ruikt ze het geurenboeket van modder, munt en de rozemarijn, die dit jaar haar tuin als een ware plaag overwoekert. Onur heeft haar verleid op een bed van rozemarijn. Te lang geleden. Ze heeft niet alles gegeven.

 

Ze heft haar gezicht naar de hemel. De zon is bijna boven. Het wordt licht in haar hoofd. Ze zoekt de schaduw. Zittend op het lage krukje, vormen de half vergane appeltjes een uitwaaierende vlek om haar heen. Ook hier de geur van de natuur: aarde vermengd met wegterend fruit. Wanneer viel het haar voor het eerst op dat Onur anders rook? Ze gaat liggen, maait haar armen heen en weer, bedekt zichzelf met een deken van appels, groot en klein. Handen vol appels stopt ze onder haar hemd. Onur houdt van gevulde vrouwen.

 

‘Mama, Deniz slaat me.’ Haar dochter rent voorbij, haar oudere broer vlak achter haar. Dankzij de verhullende appeldeken krijgt ze een schoen vol in haar buik en nog één op haar hand. Ze voelt het niet. Vanaf haar vroegste herinnering was de natuur haar levende dagboek. Zocht ze buiten troost, wilde weten waarom grote mensen zo raar waren. Antwoorden kreeg ze niet.

Haar appelbed ligt zacht. De geur werkt bedwelmend. Haar ogen zakken steeds dieper. Straks gaat ze aan het werk. Het onkruid te lijf. Bedenken wat ze met haar huwelijk aan moet. Nu nog niet. Te moe.

‘Ga weg. Ik doe niet meer mee. Blijf van me af. Deniz! Ophouden nou.’ Het geluid verwijdert zich weer, maakt plaats voor het zoemen van een bij. Ze zwaait haar hand langs haar gezicht. Een halve appel ketst af op haar wang.

 

Een indringende gil brengt haar met een schok terug in de werkelijkheid. Hysterisch krijsen dat plotseling stopt. Gedesoriënteerd schiet ze overeind en overziet de omgeving in een paar tellen.

‘Mama, snel, er is iets met Dunya,’ schreeuwt haar zoon. Zijn stem klinkt vreemd hoog. Razendsnel overbrugt ze de afstand. Ze staart van het rode vlekkenpatroon in de blouse, naar de gesloten ogen in het witte gezichtje van haar dochter. Een krul verdeelt het beeld in tweeën.

‘Mama, sorry. Het was per ongeluk. Ik wilde niet…’ Deniz houdt huilend het groentenmes in zijn hand, dat zojuist nog onbeheerd in de natte aarde stak.

‘Mama, het is zo donker. Ik zie niets. Mama, ben je daar?’

Ze grist het mes uit de handen van haar zoon en snijdt in een vloeiende beweging zigzaggend haar rok aan flarden. De lange repen draait ze gehaast rond haar rechterpols. Met twee handen ritst ze zo veel mogelijk kamillebloemen van hun stengels. De snijdende pijn merkt ze niet op. Ze valt op haar knieën in de modder, rukt de blouse van haar gewonde dochter open en strooit met kamille op de blote huid. De witgele bolletjes bedekken de bloedvlek. Ze schept de bloemen met twee handen naar de plek waar ze het snelst rood worden. De genezende bloemen drukt ze met de prop stof krampachtig tegen het gewonde lijfje.

‘Liefje, ik ben hier. Wakker blijven,' fluistert ze zachtjes bij Dunya's oor. Even laat ze haar lippen licht rusten op de klamme wang. Strijkt een vochtige haarpluk naar achter. Dan kijkt ze naar boven, recht in de ogen van haar zoon.

‘Zoek je vader en zegt dat hij onmiddellijk hulp moet halen.’

‘Ja maar mama…’

‘Nu Deniz, nu meteen!’

Ze ziet de angst in zijn ogen, terwijl hij langzaam een paar stappen naar achter zet. Dan begint hij te rennen.