NYCEWAY

Nynke Cevik

 

LIEFDE BEN JE DAAR ALTIJD AL

 

LEESVOER VOOR HART EN ZIEL

Bonnie & Clyde

‘Bep, schone dame, zijt gij bereid deze mooie dag samen met een eenvoudig man door te brengen?’

‘Doe es effe normaal Cor. Ik wil best een potje klaverjassen, maar haal je niet van alles in je suffe kop. Kijk je wel eens in de spiegel?’ Bep gaat recht zitten, zodat haar figuur het meest voordelig uitkomt in de gezelschapsruimte. In een achteloos gebaar voelt ze of haar kapsel niet is ingezakt. Zelfs hier in Denneheuvel voelt ze zich gesterkt in de wetenschap dat ze nog menig mannenhart kloppend houdt. Cor is niet op zijn mooist als het leven hem even niet toelacht. Bep moet aan haar oude doorgefokte buldog denken. Verder is het een aardige vent. Prettig gezelschap ook.

 

Ze woont hier nu zes maanden, maar laat haar aanbidders nog even in de rij staan. Concurrentie is ver te zoeken. Het past niet in haar stijl zich aan de eerste de beste te geven. Alhoewel een nieuwe vriend wel aangenaam tijdverdrijf zou zijn in de eindeloos durende dagen van eten, breien, kaarten, eten en weer opnieuw eten. Vroeger zorgde ze ook goed voor zichzelf als haar man een tijdje elders verbleef. Een enveloppe na afloop hield alles keurig discreet.

Spanning, dat is waar het nu aan ontbreekt. Het benauwt haar dat haar leven hier op zoek gaat naar zijn definitieve einde. Uitgerekend op een plek waar ze nooit terecht had willen komen. Als ze aan die valse serpenten van een dochters van haar denkt, wordt ze woest, dus dat doet ze maar niet. Van boosheid krijg je rimpels. Kwaaie oude koppen genoeg hier. Zij is anders. Het streelt haar dat ook keurige Cor een oogje op haar heeft laten vallen vanachter zijn gouden brilmontuur. Zijn kinderen heeft ze afgelopen half jaar niet gezien. Die ‘geldwolven’ zoals hij ze gekscherend noemt.

Pa is hier toch prima op zijn plek? Wie zegt dat een particuliere verpleegster liever voor je is dan het fantastische personeel van Denneheuvel? Cor is te aardig om daar kwaad over te zijn. Hij is tevreden met zijn zakgeld.

Wat heb je aan al je zuurverdiende geld? denkt Bep opstandig. Je kan het niet mee je graf in nemen zoals de farao’s vroeger. Daar steken je lieve kinderen wel een stokje voor. Bep zucht. Steeds vaker betrapt ze zichzelf erop dat ze mijmert over voorbije tijden. Maar wat heeft dat voor nut. Het leven is nu. Voor haar geen luxe meer, maar bittere koffie en kleffe broodjes kaas.

Ze glimlacht liefelijk naar Cor. Waarom niet een beetje plezier maken. Hij hapt kwijlend toe. Haar harde woorden van net alweer vergeten.

‘Cor, kerel, vertel nog eens een leuk verhaaltje over je tijd als rechter? Hè toe. Je beroepsgeheim is al lang verjaard wed ik. Ze wipt haar schoen uit en wrijft met haar zwarte kniekousenvoet tegen zijn been. Een paar sappige roddels over de crème de la crème van de oude topcriminelen leukt mijn dag weer wat op, schat.’

 

‘Mevrouw de Roode, kijk eens we hebben een bezoeker.’ De schelle lach van Lenie, één van de vaste vrijwilligers, verstoort hun onderonsje. Daar staat Cees, haar overleden man.

‘Cees, ben je daar eindelijk,’ zucht Bep geïrriteerd, haar blijdschap verbergend. ‘Waar was je nou? Ik verveel me te pletter in deze suffe tent.’

‘Tante Bep, ik ben het, Bernard. U kent me toch nog wel? Dat is voor het eerst dat ik hoor dat ik op ome Cees lijk. Sorry dat ik u moet teleurstellen.’

Bernard zet zijn koffertje op de grond en bukt zich naar de oude vrouw. Bij de omhelzing probeert hij niet in aanraking te komen met haar borsten. Ze zijn nog altijd indrukwekkend.

Als kind kwam hij er graag, in het huis van zijn oom en tante. Oom Cees leidde hem op in het vak. Hij had alleen dochters.

‘Kom tante Bep, even wat privacy. Bernard slaat een arm om haar middel, pakt met zijn vrije hand de koffer. ‘Zeg het maar, welke kant? Ik ben benieuwd naar uw riante onderkomen.’

‘Nou, nou, je weet heus wel dat Cees me berooid heeft achtergelaten. Tonnen verdwenen als sneeuw voor de zon. Hij had het niet meer in de hand op het laatst. Mijn oude leven is voorbij, jongen,’ sneert Bep. 'Ik hoop voor jou dat jij je zaakjes beter voor elkaar hebt.' Op één schoen schuift ze, aan Bernards arm, voorzichtig over de gladde vloer.

 

Na een korte onrustige nacht frist Bep zichzelf op met een laag poeder. Het idee gaat sinds het bezoek van neef Bernard niet meer uit haar hoofd.

Zodra ze hem de deur had uitgewerkt, opende ze het koffertje met zijn gereedschap, waar ze een tijdje op moest passen. Niemand moest tegen haar zeggen dat ze iets ‘niet’ moest doen. Ze had nog lang met de spullen in haar schoot zitten dromen, als een kind in een snoepwinkel.

Bep knijpt even in haar wangen om een blosje te maken en bestudeert zichzelf een tijdlang kritisch in de spiegel. Haar ogen lijken vandaag lichter. Ze grijnst terwijl ze nog wat extra roze op haar lippen aanbrengt. Strakke zwarte trui, dito broek. Eindelijk weer eens tijd voor actie. Zorgvuldig loopt ze haar spullen na in het kleine vertrek. Er is niets bij dat ze zal missen. Ze plukt de foto’s van haar dochters uit de rand van de spiegel en gooit ze bij het afval. Alleen haar handtas gaat mee. En de koffer. Ze bedekt hem met haar zware wollen mantel.

 

Ze klopt een paar keer kort op de deur van kamer 78. Er verschijnt een klein kiertje in de deur.

‘Ja, wie is daar?’ Cor verwacht duidelijk geen bezoek.

‘Luister Cor, ik wil iets belangrijks met je bespreken. Mag ik even binnenkomen?’ Zonder op antwoord te wachten stapt Bep resoluut de kamer binnen.

‘Oh Bep, ben jij het? Ga zitten dan fris ik me even op. Wil je iets drinken?’

‘Ja, ja, schiet maar op, ik zet wel even thee.’

Zodra de deur van de badkamer dicht is snuffelt Bep nieuwsgierig door de kleine ruimte. Het is een exacte kopie van haar eigen kamer op de meubels na. Goedkeurend betast ze de luxe materialen. Zijn dochters hebben hem in ieder geval in een gouden kooi achtergelaten.

‘Bep, ik ben klaar zullen we even gaan zitten?’ klinkt het zacht achter haar.

Betrapt draait Bep zich om. Ze voelt een spiertje bij haar oog trekken als ze naar Cor glimlacht. Ze moet een paar keer haar keel schrapen voordat ze haar plan uiteen kan zetten.

‘Bep, mm…meisje zo ken ik je helemaal niet. Dat lukt toch nooit op onze leeftijd!’

‘Ik heb geen zin om hier dood te gaan. Zeg het maar je doet mee, of niet. Maar dan moet je nu meteen beslissen. Anders ga ik alleen.’

Ze ziet dat Cor een oorlog in zijn hoofd aan het uitvechten is, maar gelukkig lijkt de strijd snel gestreden.

‘Ach waarom ook niet, wat heb ik te verliezen. Ik wil je niet alleen laten Bep.’

‘Dat is mooi,’ lacht Bep opgewonden. ‘Je zult er geen spijt van krijgen, ik doe dit niet voor het eerst. Zorg jij maar dat je je precies aan ons plan houdt ouwe. Denk aan een nieuw gespreid bedje. Tweepersoons, als je het niet verknalt.’

Cor verdwijnt in de slaapkamer en verschijnt dit keer in zijn zwarte nette pak. Bep duwt hem de koffer in de hand, voordat ze samen de kamer verlaten.

 

Een uur later zijn ze op de plek van bestemming.

‘Je geld of je leven,’ roept Bep. Het klink als een echo uit een ver verleden. Cor voelt zich een jonge god achter zijn strakke bivakmuts en zwaait volleerd met zijn wapen tot het lege koffertje weer gevuld is. Daarna verdwijnt het onder zijn wijde jas. Voor de bank gaan ze, stevig gearmd, onopvallend in de massa op. Een ouder echtpaar, hij met overgewicht, zij met een forse handtas.