NYCEWAY

Nynke Cevik

 

LIEFDE BEN JE DAAR ALTIJD AL

 

LEESVOER VOOR HART EN ZIEL

Het touw

De auto rijdt rechtstreeks een versneld afspelende film binnen. Mijn ogen flitsen van de wijzers op het dashboard terug naar de weg. Hoewel mijn hersenen ‘remmen’ schreeuwen, houdt mijn voet blijkbaar toch het gaspedaal op de goede snelheid. Aan de hand van de voorbij vliegende voorwerpen probeer ik me mijn bestemming te herinneren. Het voelt als het memoriespel waarin ik altijd van mijn jongere buurjongen verloor. Het lukt me maar niet om de diverse herkenningspunten samen te voegen tot een congruent geheel. Met mijn wijsvinger druk ik de zonnebril omhoog tot hij mijn pas geverfde wenkbrauwen raakt. Hadden we de auto moeten laten controleren voor vertrek? ‘Begin uitgerust aan je vakantiereis’, schiet het door mijn hoofd. Hoe realistisch is die slogan eigenlijk?

 

Vanwege de gevoelssnelheid, die in mijn hoofd blijft rondspoken, durf ik mijn blik niet te lang van de weg af te houden. Het adres op de navigatie zegt me niets. Ronald moet het ingetikt hebben, vlak voordat hij zijn oren afsloot met oranje dopjes en zich achter zijn slaapmasker verschool. Ik overweeg het roodzijden lapje van zijn neus te trekken en hem medegetuige te maken van mijn vreemde snelheidssensatie, maar ik wil de sfeer niet gelijk al verpesten. Deze vakantie zou onze laatste kunnen zijn. Ik wring mijn gezicht in allerlei bochten in een poging de spanning los te laten en verwerp de gedachte meteen. Onmogelijk. Zonder mij zou hij verloren zijn.

 

Een pijnscheut in mijn arm brengt me terug in het huidige moment.

‘Jezus trut, je rijdt als een gek! Wil je me dood hebben?’

Ronalds hand klauwt zich rond de spieren in mijn bovenarm, terwijl hij met zijn andere hand een ruk aan het stuur geeft. De grote eikenboom verandert pas in de allerlaatste seconden van richting, waardoor we er net langschampen. Ik breng de auto weer op de juiste snelheid en schuif de zonnebril in mijn haar, om beter contact met Ronald te kunnen maken.

 

Wanneer ik wil proberen uit te leggen dat ik helemaal niet te hard reed, boort een ondefineerbaar voorwerp zich door de vooruit heen. Met twee voeten belaag ik het rempedaal, alsof ik zo de controle terug kan krijgen. In de draaikolk waarin ik de auto heb gebracht vang ik een flits op van de scherf in Ronalds voorhoofd, die zich dwars door het omhooggeschoven slaapmasker heeft vastgewerkt in de dunne huid. Het stelpende effect van het masker is al uitgewerkt en wanneer ik het spoor van de bloedstroompjes volg komt de auto krakend, als een dronken spookrijder, tot stilstand in de middenberm.

 

Ik wil niet gillen en slik grote happen lucht door. Mijn hart bonkt steeds sneller tegen de strakke stof van mijn shirt. Het bladerdak van de grote eik raakt het ene moment bijna mijn gezicht om daarna weer snel mijn rug te geselen. Ronald rent heen en weer om met het extra touw dat hij aan de onderkant heeft bevestigd, de schommel op te zwepen tot in de wolken. Ik wil niet meer bang zijn. Niet laten zien hoe bang ik ben. Het ruwe touw schuurt tegen mijn samengeperste handpalmen en vingertoppen.

‘Stop, Ronald, stop, ik wil niet meer.’

Mijn buurjongen laat het touw onmiddellijk los, maar geeft de houten plank van de schommel een zwieper zodra ik binnen zijn bereik kom. In de draaikolk vang ik telkens een glimp van zijn gezicht op. Hij lijkt op een dier, zoals hij daar staat, wijdbeens zijn gezicht verwrongen in een uitdrukking die niet bij zijn leeftijd past. Die dag besef ik voor het eerst dat hij me nodig heeft, dat we bij elkaar moeten zijn. Zodra ik durf spring ik van de schommel en belandt bovenop hem.

 

Ik buig over Ronald heen om zijn gordel los te klikken en laat zijn hoofd voorzichtig tegen mijn schouder rusten. Geen seconde laat ik mijn blik los van de kloppende ader in zijn slaap, terwijl ik met een snelle beweging de scherf uit zijn voorhoofd trek en daarna het doorweekte slaapmasker omhoog schuif in Ronalds dikke haar. Ondanks het bloed dat overal is, stelt de aanblik van de echte wond me gerust. De scherf heeft een keurig rood driehoekje boven zijn wenkbrauw getatoeëerd. Ronalds tranen druppen vanachter zijn gesloten oogleden langs de dunne spaghettibandjes van mijn hemdje mijn decolleté in. Pas dan besef ik hoe koud ik het heb. De zon die zich genadeloos door het grillige gat in de voorruit van de gestrande auto boort weet mij niet te bereiken.

‘Ronald, wordt wakker, het komt goed, ik ben er nog,’ herhaal ik achter elkaar, constant aan zijn haar trekkend.

Terwijl ik me probeer te focussen op zijn vertrouwde ademhaling, wordt mijn blik getrokken naar de houten plank die tegen de achterkant van Ronalds rechterschouder rust. Twee stukken gerafeld dik touw steken in beide hoeken omhoog als onkruidspruiten in een slecht bijgehouden moestuin.

‘Ronald, kan je me horen?’ Ik trek nu uit alle macht aan zijn haar.

‘We moeten er aan denken dat we het touw van de schommel onder de oude eikenboom vervangen, wanneer onze kinderen oud genoeg zijn om te schommelen.’

 

 

 

 

Laat een reactie achter