NYCEWAY

Nynke Cevik

 

LIEFDE BEN JE DAAR ALTIJD AL

 

LEESVOER VOOR HART EN ZIEL

Schuilflat

Het was gebeurd. Haar moeder was uit haar leven, maar nog niet uit haar lijf. Op de plek waar nu een gat zou moeten zitten, zat een gezwel. Ze veegde de laatste kruimels van de tafel en gooide het vieze doekje in de afvalzak, voordat ze hem dichtknoopte. Met de lucht die eruit ontsnapte kwam een zurige geur van rottende fruitresten en koffiefilters vrij. Haar moeders laatste bevlieging bestond uit fruit, veel fruit. Alsof dat haar redmiddel zou zijn. Onverwacht was ze eruit gestapt.

 

Die dag werd er niet geroddeld over de familie Schollevaar. In de kamer, zojuist nog vol begripvol knikkende mensen, zat haar vader nietig in zijn vaste stoel. Hij had zijn beste pak aan. Het was er plechtig aan toegegaan. Niemand was uit de toon gevallen. Ook zij had keurig toneelgespeeld tot het vallen van het laatste doek. Haar vader. Ze herinnerde zich hem als een mooie, statige man. Een volle bos haar, de bril met het zwart hoornen montuur. Haar vader de succesvolle advocaat. Advocaat van de duivel, schoot door haar hoofd. Wat leek hij klein en broos nu. In zijn eigen wereld. Hij schrok op. Zijn ogen leken blauwer dan normaal.

‘Ik heb voor haar gekozen, Maya. Voor jou had ik anders gewild. Het spijt me.’

‘Het is goed zo, papa.’ Ze legde even haar wang tegen zijn hoofd, bedekte de laatste dunne slierten haar met beide handen. Een ader klopte licht.

‘Ik heb alles opgeruimd, papa. Als je het goed vindt ga ik nu. Ik bel je morgen. Dag papa.’ Ze pakte haar tas en de vuilniszak en sloot de deur zacht. Terwijl ze de afvalcontainer opende, gluurde ze door een kier in de gordijnen. Haar vader had zijn ogen dichtgedaan. Maya nam de vertrouwde achterkant van de woning in zich op. De klimop die jaar na jaar steeds een stukje meer terrein won op de muur. Het moestuintje, waar haar vader zoveel troost uit putte, lag er keurig bij. De poort in de schutting, het paadje naar de schuur met vlinders, die ze samen met haar moeder geschilderd had. De poort waar ze ’s nachts zo vaak stiekem doorheen geslopen was, naar binnen of naar buiten, op avontuur. Het huis was niet meer compleet. Vanaf haar vroege jeugd had haar moeder het gevuld met haar aanwezigheid. Op de momenten waarop ze wegvluchtte liet ze een grote leegte achter. Haar moeder de kameleon, soms mooi, soms lelijk. Ze konden niet met en niet zonder haar.

‘Ron, met mij, het is achter de rug, ik kom nu naar huis.’

‘Rij voorzichtig, Maya. Ik vind het nog steeds geen goed idee dat je dit alleen wilde doen.’

‘Het is goed zo Ron, heeft Sam haar laatste flesje gehad? Oh fijn. Dag lieverd. Tot zo.’

De banden piepten toen ze gas gaf.

 

Ze was de grens voorbij. Te veel van alles. Alles om het gat te vullen. De warmte in de disco, dansende lijven, het harde dreunen, het bier. Te veel jongens. Weer een nieuwe verovering. De koude fietsrit naar huis deed haar goed. Ze legde haar hoofd tegen zijn rug. Haar handen stevig om zijn middel. ‘Hier rechts.’ Haar stem klonk schor. In de nevel in haar hoofd zocht ze vergeefs naar zijn naam. Tegen de schutting thuis liet ze zich bedwelmen. Haar magere meisjeslichaam tegen hem aan. Ze had dit nodig. Steeds opnieuw. Ze duwde hem even van zich af, wurmde haar sleutel uit de zak van haar strakke spijkerbroek en trok hem zachtjes achter zich aan.

‘Maya, kindje, ben jij dat?’

‘Ja papa, ik ben thuis. Ga maar weer slapen.’

Vlak voordat haar vader opstond maakte ze haar vriendje wakker. Ze wist zijn naam weer, het was David. Een laatste kus. Hij ging sneller dan hij gekomen was. Ze vergat David en alle anderen, vluchtig als speldenprikken op haar huid.

‘Maya, meisje, ben je wakker?’ Ze voelde dat haar vader zacht een pluk haar van haar kleverige wang achter haar oor streek. Ze probeerde de zure smaak in haar keel weg te slikken. Haar ogen gingen niet helemaal open, gehinderd door korrelige mascara.

‘Papa, ga weg. Ik wil niet dat je me zo ziet.’

‘Kindje toch, was je moeder maar hier. Ik maak me zorgen over je. Het komt door haar hè?'

‘Nee papa. Ga weg. Ga naar mama. Die heeft je nodig.’

‘Alsjeblieft Maya. De mensen praten.’

Ze stopte haar vingers in haar oren. Haar moeder was ziek. Ze wist het zelf niet.

 

Ze had haar vader beloofd dat zij het appartement leeg zou ruimen. De flat waar haar moeder haar andere leven leidde. Geen verantwoordelijkheden, geen gedoe. Wekenlang leek ze van de aardbodem verdwenen.

Maya was er nooit geweest. In haar fantasie had deze flat elke mogelijk denkbare gedaante aangenomen, van boudoir met rood pluche tot inzwart SM-walhalla met duistere martelkamer. Het voelde alsof ze ingebroken had. Zachtjes liep ze van kamer naar kamer. In de fruitschaal, op de keukentafel, een achtergelaten appel. Verschrompeld, maar nog steeds geurend. In de slaapkamer vulde een enorme kastenwand met bijpassende kaptafel bijna de gehele ruimte. De gekleurde lampjes boven de spiegel zou ze als kind erg mooi gevonden hebben. Ze liet een vleugje ontsnappen uit een parfumflesje. Aan de muur foto’s van filmsterren uit de vorige eeuw. Ze herkende Marilyn en Marlène. Het bed nam een bescheiden plek in, bood slechts ruimte aan één persoon. Een verloren paar zwarte pumps stond in een hoekje, de hakken tegen elkaar. Haar moeders spullen, keurig geordend, bekende voorwerpen in een vreemde ruimte. Als enig persoonlijk accent in deze modelflat, een oude foto boven de rode zitbank in de lichte woonkamer. Haar mooie moeder, met een zachte blik keek ze achterom naar haar slapende meisje. Voor het eerst in jaren huilde ze om haar vader en de jonge Maya. Resoluut zette ze de ramen tegen elkaar open. Alle geheimen van haar andere moeder vervlogen nu ze de kans kregen. Haar geur, een mengeling van Chanel No 5 en olijfzeep, bleef hangen. Ze pakte een tas van de kapstok. Streelde het zachte rode leer. Rook er even aan. Aan de zijkant zat een rits, daar bewaarde moeder haar snoepjes. Ze voelde in het smalle vakje. Alleen een stuk verkreukeld papier. Aan de gele randen te zien had de tas dit al lang bij zich. Maya vouwde het krantenartikel voorzichtig open. Borderliners hebben levenslang? Haar ogen vlogen over de regels.

 

Onvermogen om op adequate wijze om te gaan met gevoelens - moeite met het onderhouden van contacten - impulsiviteit - stemmingswisselingen - woede uitbarstingen - zwartwit denken.

 

Dat was haar moeder. Ze hoorde haar schelle stem. Voelde haar warme adem op haar wang.

‘Ja, ja natuurlijk wist ik het wel, maar ik wilde jou er niet mee lastigvallen. Ik heb alles netjes achtergelaten toch. Of niet soms?’

Ze rilde. Het was alsof haar moeder naar haar keek. Verwijtend, de kritiek lag op het puntje van haar tong. Het beeld werd steeds scherper. De uitdrukking op haar moeders gezicht, uitdagende ogen. Haar mooie, zachte buitenkant als bedrieger achter een hard onzichtbaar schild.

 

De woorden van haar vader kwamen terug uit een afgesloten hokje van haar geheugen. ‘Je moeder is ziek. Ze weet het zelf niet. Ik kan haar niet alleen laten.' Ze schoof langs de muur van het smalle gangetje langzaam naar de grond. Staarde naar het artikel in haar handen. In elkaar gedoken bleef ze zitten. Waarom, waarom, waarom bonkten de woorden in haar hoofd. Iemand had je kunnen helpen, mama.

 

Ze moest kracht zetten om de deur achter zich dicht te trekken. De wind werkte haar tegen. In een laatste vlaag dwarrelden enkele snippers vergeeld, vochtig krantenpapier haar snel achterna en kleefden aan haar jas. Ze schudde ze eraf.