NYCEWAY

Nynke Cevik

 

LIEFDE BEN JE DAAR ALTIJD AL

 

LEESVOER VOOR HART EN ZIEL

Verse paling

Het huis aan de Bleekersvaart, spaarzame herinneringen aan dagen van zorgeloze logeerpartijen in weggegleden jaren. Witbrood met aardbeien, met paling of alleen met roomboter en suiker. Anders dan thuis. Liefdevolle aandacht op een vierkante kilometer. Het favoriete tijdverdrijf op de eerste spannende logeerdag was oma’s grote glazen pot met knopen. Pas als alles gesorteerd, geteld en weer veilig opgeborgen was, ging de deur voorzichtig op een kier en schudde ik mijn stille vermomming van me af.

‘Laat dat kind eerst wennen,’ zei oma dan. ‘Het is je kleindochter niet je speelkameraadje.’

‘Kom kind, we gaan naar buiten, snel weg bij die bazige oma van je,’ grinnikte opa. Zijn ogen lagen als twee uitnodigende poelen achter zijn brillenglazen. De frisse wind in de vissershaven blies zijn adem uitdagend in mijn gezicht. Kom maar op klein meisje. Hij hield zich aan zijn belofte, de wind. Na een kwartier huppelde ik zingend aan opa’s hand. Mijn opa de allerliefste. Had hij ooit zo met mijn moeder gelopen. Heel lang geleden? Opa liet me geen moment met rust. Waakte als een trouwe hond over mijn stemming. In ruil voor groenten uit zijn moestuin kreeg hij paling van de vissers, vers gevangen, opgerold in het dorpskrantje van vorige week. Met mijn hand in de zijne, verschool ik me achter zijn brede rug.

‘Drie keer raden wat we vanavond eten, meisje.’

‘Paling, opa.’

Dan zwierde hij me in het rond, het hoofd in de nek, gedragen in zijn sterke armen. Angstvallig omklemde ik onze kostbare buit.

‘Niemand weet, niemand weet dat ik vanavond paling eet,’ zong opa luidkeels.

 

Met rode wangen zat ik aan tafel en maakte vlechtjes in de kwasten aan het dikke kleed. Oma bereidde de palingen en legde ze keurig zij aan zij tussen twee witte boterhammen. Ze sneed ze in zessen en deelde hapjes in de rondte als een moedervogel naar haar pasgeboren kuikens. Daarna vanillevla in een porseleinen schaaltje. Pas als je het op had zag je welke fruitsoort zich op de bodem verstopt had. Ik mocht mijn vingers aflikken. Als oma de bijbel pakte kroop ik snel op schoot en gleed in opa’s veilige armen naar mijn eigen hemel.