Pindakaas


Het mes blijft het kuipje schrapen van links naar rechts naar boven en weer terug. De boter verdwijnt onder een tweede, bruine laag. Ze houdt niet van boter onder pindakaas, maar durft na het zorgvuldige werk van tante niets te zeggen. Thuis verdwijnen verpakkingen half leeg in de gapende muil van de grijze bak. Te veel gedoe. Te oud. Niet lekker. Bij tante is het anders.


'Drie keer R mijn kind. Rust, Regelmaat en Reinheid. Luister goed naar je oude tante. De mensen zijn vergeten wat opvoeden tot een succes maakt.'


Ze gluurt over haar smalle bril, terwijl ze haar betoog vervolgt. Uit haar dikke knot piekt hier en daar een grijze spriet die onder het praten haar smalle wangen aait. Op de linker zit een piepklein zwart vlekje. Tante heeft een zware stem. Met ogen dicht zou ze een man kunnen zijn. Ze luistert graag naar het geluid, dat bijna nooit stopt. De stroom van woorden danst vooruit, op een ritme zonder betekenis. Ze wordt er slaperig van. Mama wil niet dat ze over thuis praat als ze bij tante logeert. Ze huilt als ze dat zegt. Door de zwarte sliertjes die haar ogen met haar kin verbinden lijkt ze op een clown. Geen moeder waar ze bang van wordt.


'Mijn grote zus, die alles altijd beter weet. Eigenlijk wil ik niet dat je er heen gaat, maar het kan niet anders. Doe je voorzichtig, kindje' fluistert ze, terwijl ze haar hard tegen zich aandrukt.


Ze voelt een rugwervel kraken. Nee, mama, jij moet voorzichtig doen, denkt ze en drukt haar neus stevig in het kuiltje van de mollige hals. Het plekje waar mama haar parfum spuit. Met haar handen zoekt ze als een aapje houvast in de zachte blonde haarslierten op moeders rug.


'Je hebt het haar van je vader,' moppert haar moeder als de kam er niet doorheen gaat na het wassen.


Tante heeft geen kinderen van zichzelf. Alleen de kinderen van school. ’s Avonds mag ze bij tante in het grote bed. Even knuffelen voordat ze moet slapen.

‘Wie is mijn liefste kind?’ Als ze niet snel genoeg antwoordt krijgt ze de kieteldood. Ze kan zich alleen redden door heel hard met een kussen te slaan. Zo gaat het al zo lang ze zich kan herinneren. Dat ze op een berg van kussens lachend in tantes sterke armen in slaap valt.

Van elke groep zes, al ver voor zijzelf geboren was, heeft tante een fotoboek. Foto's van Rob, Roxan, Lisanne en de rest. Bij elke foto weet haar tante de namen op te noemen. Maar misschien heten de kinderen wel stiekem anders. Als tante over vroeger begint te vertellen luistert ze wel. Ziet ze de kinderen voor zich, die zich ruziënd, pestend, lachend en spelend een weg banen naar groep zeven, naar een volgende juf. Over twee jaar gaat ze zelf naar groep zes. Ze houdt niet van veranderingen. Ze krijgt er buikpijn van. Bij tante mag ze klein blijven.


'Wat zit je te dromen kind? Eet je boterham. Ik heb er wat extra liefde opgedaan. Lekker zoet hè? Altijd die hagelslag. Ik denk, ik doe een keer wat anders. Dit is gezonder. Maakt mama wel eten voor je 's ochtends?'


Zwijgend neemt ze de eerste hap en snel nog één. De pindakaas kleeft aan haar tong. Ze mag niet met volle mond praten. Mama zegt dat oma de zeven schoonheden voor haar heeft bewaard, de tweede dochter. Bij Tante, de eerste dochter zit het verstopt van binnen.


‘Bij mij was de schoonheid voor binnen op,’ zucht haar moeder verdrietig.


Nee mama ik vind je lief, denkt ze dan. Ze durft het niet te zeggen, bang dat haar moeder haar voor leugenaar uitmaakt. Oma heeft ze nooit gekend. Mama zegt dat ze te moe was voor het leven. Zou mama op oma lijken? Tante schept haar bord nog een keer vol met groen. Ze mocht helpen met boontjes doppen en sla wassen. Mama houdt van makkelijk. Soms als het gerommel in haar maag niet meer stopt en mama niet in de buurt is, maakt ze zelf iets met wat er in de koelkast ligt. Dat kan ze best. Zonder groen.


'Ga je nog wel eens naar papa?' vraagt tante.


Ze neemt snel een nieuwe hap en beweegt haar hoofd. Het kan ja of nee zijn. Haar dikke rode krullen springen in het rond.  De meeste mannen van mama doen of ze de baas zijn. Soms zijn ze lief. Het weekend is al weer voorbij. Ze mist mama, maar wil niet naar huis. Wat ze het allerliefste zou willen is dat ze met zijn drietjes in één huis gaan wonen. Twee mama’s zonder papa. Ze raapt de bol sokken op die voor haar voeten rolt. Haar lievelingssokken. Ze passen nog net. Aan de onderkant van haar tas steekt haar tandenborstel zijn rafelige kop naar buiten. Hij zit klem achter haar pyjama. Ze laat zich op de grond zakken en pulkt aan de randen van de plastic scheur. Misschien mag ze nog even blijven.


'Lieverd pak je een nieuw tasje uit de kelder? Zoek maar een mooie uit.'


Voorzichtig schuift ze de duistere trap af, met haar rug tegen de muur. Haar ogen prikken. Een koude luchtstroom kriebelt haar blote kuiten. Hoeveel spinnen wonen hier beneden? De spaarlamp wint langzaam terrein. Terwijl ze een tasje uit het gehaakte net trekt en snel weer omhoog wil stappen, ziet ze de potten op de onderste plank, vlak bij haar voeten. Keurig twee aan twee in de rij. Pindakaas voor wel acht groepen zes. Mama lust geen pindakaas.

De jojo

Hij was wit. Iemand had er met rode verf een spiraal op geschilderd.


´De boom wordt hoe langer hoe dikker.`


Steeds meer ineengeslagen handen in een draaiende kluwen warm kloppende harten. Opgewonden adem tegen achterhoofden en in nekken. Ze kon het touwtje razendsnel weer om het hart draaien. Op, neer en weer op tijd omhoog. Precies op tijd. Het record stond op vierennegentig minuten en nog wat seconden. Aan het einde van de draad wachtte de straf. Daar was ze nog het meest jaloers op. Zij mocht alleen uren achter elkaar het touwtje in beweging houden, terwijl hij alle tijd had om iets nieuws te verzinnen. Nog erger, nog harder. Pijn, totdat het touwtje opnieuw om het hart zat, haar vinger terug in het lusje en ze van voren af aan kon beginnen.


`Laat eens zien. Wat heb je daar?' vraagt Juf. 'Dat is een mooie. Weet je hoe het moet?'


'Nee. Hij is van mama. Ze is weg.'


'Ach kindje. Wat verdrietig. Ze had je mee willen nemen, samen met die mooie jojo.'


'Nee, ze is ons vergeten.'


'Pas er maar goed op. Dan geef je hem terug als ze er weer is. Geef Klara maar een hand dan draaien we om de boom. Zing maar mee. De boom wordt hoe langer hoe dikker. Draai maar, Sophie, draai maar.'


Vanmiddag maakt ze een afspraak met de vader. Het kind blijft steeds vaker in de schaduw staan.

'Fijn dat u meeleeft met mijn dochtertje. Ik had zelf contact met u willen zoeken. We gaan verhuizen. Andere omgeving. Dat is beter. Dank u wel. tot ziens.'

Vader heeft haar ziek gemeld. Dertig andere kinderen vragen om aandacht van de juf. De directeur maakt melding van uitschrijving. Hij knikt even kort naar haar tijdens de teamvergadering.


'Laat eens zien. Wat heb je daar? Ik heb je toch gezegd dat je niet aan de spullen van mama mag komen. Geef hier, dan gooi ik dat rare ding weg. Alles wat je moeder heeft achtergelaten is waardeloos.'


'Nee papa. Ik wil hem houden. Juf vindt hem mooi. Wanneer ga ik weer naar school?'


Toen moest ze met de jojo spelen. De hele dag. Papa gaf haar les. Was streng als ze faalde. Misschien mocht ze terug naar school als het goed ging. Misschien kwam mama dan weer terug. Was het net of ze even weg was geweest. Op en neer en weer omhoog. Dag mama daar ben je weer.


Ik ben onderweg. Binnenkort kom ik je halen Sophie. Meisje van me. Pas je goed op onze jojo. Ik ben halverwege de rode lijn. Zo moe van het draaien. Een baan, een huis, betere vrouw, lievere moeder. Als ik goed genoeg ben, haal ik je. Nog even volhouden. Ik ga omhoog, blijf niet meer bungelen onderaan het draadje. Echt. Je moet me geloven. We krijgen het goed samen. Je kamertje is al klaar. Wit met rood, net als onze mooie jojo. Ik sta bij het hek van school als de bel gaat. Op, neer en weer omhoog.

Verse paling

Het huis aan de Bleekersvaart, spaarzame herinneringen aan dagen van zorgeloze logeerpartijen in weggegleden jaren. Witbrood met aardbeien, met paling of alleen met roomboter en suiker. Anders dan thuis. Liefdevolle aandacht op een vierkante kilometer. Het favoriete tijdverdrijf op de eerste spannende logeerdag was oma’s grote glazen pot met knopen. Pas als alles gesorteerd, geteld en weer veilig opgeborgen was, ging de deur voorzichtig op een kier en schudde ik mijn stille vermomming van me af.


‘Laat dat kind eerst wennen,’ zei oma dan. ‘Het is je kleindochter niet je speelkameraadje.’


‘Kom kind, we gaan naar buiten, snel weg bij die bazige oma van je,’ grinnikte opa.


Zijn ogen lagen als twee uitnodigende poelen achter zijn brillenglazen. De frisse wind in de vissershaven blies zijn adem uitdagend in mijn gezicht. Kom maar op klein meisje. Hij hield zich aan zijn belofte, de wind. Na een kwartier huppelde ik zingend aan opa’s hand. Mijn opa de allerliefste. Had hij ooit zo met mijn moeder gelopen. Heel lang geleden? Opa liet me geen moment met rust. Waakte als een trouwe hond over mijn stemming. In ruil voor groenten uit zijn moestuin kreeg hij paling van de vissers, vers gevangen, opgerold in het dorpskrantje van vorige week. Met mijn hand in de zijne, verschool ik me achter zijn brede rug.


‘Drie keer raden wat we vanavond eten, meisje.’


‘Paling, opa.’


Dan zwierde hij me in het rond, het hoofd in de nek, gedragen in zijn sterke armen. Angstvallig omklemde ik onze kostbare buit.


‘Niemand weet, niemand weet dat ik vanavond paling eet,’ zong opa luidkeels. 


Met rode wangen zat ik aan tafel en maakte vlechtjes in de kwasten aan het dikke kleed. Oma bereidde de palingen en legde ze keurig zij aan zij tussen twee witte boterhammen. Ze sneed ze in zessen en deelde hapjes in de rondte als een moedervogel naar haar pasgeboren kuikens. Daarna vanillevla in een porseleinen schaaltje. Pas als je het op had zag je welke fruitsoort zich op de bodem verstopt had. Ik mocht mijn vingers aflikken. Als oma de bijbel pakte kroop ik snel op schoot en gleed in opa’s veilige armen naar mijn eigen hemel.


Schuilflat


Het was gebeurd. Haar moeder was uit haar leven, maar nog niet uit haar lijf. Op de plek waar nu een gat zou moeten zitten, zat een gezwel. Ze veegde de laatste kruimels van de tafel en gooide het vieze doekje in de afvalzak, voordat ze hem dichtknoopte. Met de lucht die eruit ontsnapte kwam een zurige geur van rottende fruitresten en koffiefilters vrij. Haar moeders laatste bevlieging bestond uit fruit, veel fruit. Alsof dat haar redmiddel zou zijn. Onverwacht was ze eruit gestapt.


Die dag werd er niet geroddeld over de familie Schollevaar. In de kamer, zojuist nog vol begripvol knikkende mensen, zat haar vader nietig in zijn vaste stoel. Hij had zijn beste pak aan. Het was er plechtig aan toegegaan. Niemand was uit de toon gevallen. Ook zij had keurig toneelgespeeld tot het vallen van het laatste doek. Haar vader. Ze herinnerde zich hem als een mooie, statige man. Een volle bos haar, de bril met het zwart hoornen montuur. Haar vader de succesvolle advocaat. Advocaat van de duivel, schoot door haar hoofd. Wat leek hij klein en broos nu. In zijn eigen wereld. Hij schrok op. Zijn ogen leken blauwer dan normaal.


‘Ik heb voor haar gekozen, Maya. Voor jou had ik anders gewild. Het spijt me.’


‘Het is goed zo, papa.’ Ze legde even haar wang tegen zijn hoofd, bedekte de laatste dunne slierten haar met beide handen. Een ader klopte licht.


‘Ik heb alles opgeruimd, papa. Als je het goed vindt ga ik nu. Ik bel je morgen. Dag papa.’


Ze pakte haar tas en de vuilniszak en sloot de deur zacht. Terwijl ze de afvalcontainer opende, gluurde ze door een kier in de gordijnen. Haar vader had zijn ogen dichtgedaan. Maya nam de vertrouwde achterkant van de woning in zich op. De klimop die jaar na jaar steeds een stukje meer terrein won op de muur. Het moestuintje, waar haar vader zoveel troost uit putte, lag er keurig bij. De poort in de schutting, het paadje naar de schuur met vlinders, die ze samen met haar moeder geschilderd had. De poort waar ze ’s nachts zo vaak stiekem doorheen geslopen was, naar binnen of naar buiten, op avontuur. Het huis was niet meer compleet. Vanaf haar vroege jeugd had haar moeder het gevuld met haar aanwezigheid. Op de momenten waarop ze wegvluchtte liet ze een grote leegte achter. Haar moeder de kameleon, soms mooi, soms lelijk. Ze konden niet met en niet zonder haar.


‘Ron, met mij, het is achter de rug, ik kom nu naar huis.’


‘Rij voorzichtig, Maya. Ik vind het nog steeds geen goed idee dat je dit alleen wilde doen.’


‘Het is goed zo Ron, heeft Sam haar laatste flesje gehad? Oh fijn. Dag lieverd. Tot zo.’


De banden piepten toen ze gas gaf.


Ze was de grens voorbij. Te veel van alles. Alles om het gat te vullen. De warmte in de disco, dansende lijven, het harde dreunen, het bier. Te veel jongens. Weer een nieuwe verovering. De koude fietsrit naar huis deed haar goed. Ze legde haar hoofd tegen zijn rug. Haar handen stevig om zijn middel. ‘Hier rechts.’ Haar stem klonk schor. In de nevel in haar hoofd zocht ze vergeefs naar zijn naam. Tegen de schutting thuis liet ze zich bedwelmen. Haar magere meisjeslichaam tegen hem aan. Ze had dit nodig. Steeds opnieuw. Ze duwde hem even van zich af, wurmde haar sleutel uit de zak van haar strakke spijkerbroek en trok hem zachtjes achter zich aan.


‘Maya, kindje, ben jij dat?’


‘Ja papa, ik ben thuis. Ga maar weer slapen.’


Vlak voordat haar vader opstond maakte ze haar vriendje wakker. Ze wist zijn naam weer, het was David. Een laatste kus. Hij ging sneller dan hij gekomen was. Ze vergat David en alle anderen, vluchtig als speldenprikken op haar huid.


‘Maya, meisje, ben je wakker?’


Ze voelde dat haar vader zacht een pluk haar van haar kleverige wang achter haar oor streek. Ze probeerde de zure smaak in haar keel weg te slikken. Haar ogen gingen niet helemaal open, gehinderd door korrelige mascara.


‘Papa, ga weg. Ik wil niet dat je me zo ziet.’


‘Kindje toch, was je moeder maar hier. Ik maak me zorgen over je. Het komt door haar hè?'


‘Nee papa. Ga weg. Ga naar mama. Die heeft je nodig.’


‘Alsjeblieft Maya. De mensen praten.’


Ze stopte haar vingers in haar oren. Haar moeder was ziek. Ze wist het zelf niet.


Ze had haar vader beloofd dat zij het appartement leeg zou ruimen. De flat waar haar moeder haar andere leven leidde. Geen verantwoordelijkheden, geen gedoe. Wekenlang leek ze van de aardbodem verdwenen.

Maya was er nooit geweest. In haar fantasie had deze flat elke mogelijk denkbare gedaante aangenomen, van boudoir met rood pluche tot inzwart SM-walhalla met duistere martelkamer. Het voelde alsof ze ingebroken had. Zachtjes liep ze van kamer naar kamer. In de fruitschaal, op de keukentafel, een achtergelaten appel. Verschrompeld, maar nog steeds geurend. In de slaapkamer vulde een enorme kastenwand met bijpassende kaptafel bijna de gehele ruimte. De gekleurde lampjes boven de spiegel zou ze als kind erg mooi gevonden hebben. Ze liet een vleugje ontsnappen uit een parfumflesje. Aan de muur foto’s van filmsterren uit de vorige eeuw. Ze herkende Marilyn en Marlène. Het bed nam een bescheiden plek in, bood slechts ruimte aan één persoon. Een verloren paar zwarte pumps stond in een hoekje, de hakken tegen elkaar. Haar moeders spullen, keurig geordend, bekende voorwerpen in een vreemde ruimte. Als enig persoonlijk accent in deze modelflat, een oude foto boven de rode zitbank in de lichte woonkamer. Haar mooie moeder, met een zachte blik keek ze achterom naar haar slapende meisje. Voor het eerst in jaren huilde ze om haar vader en de jonge Maya. Resoluut zette ze de ramen tegen elkaar open. Alle geheimen van haar andere moeder vervlogen nu ze de kans kregen. Haar geur, een mengeling van Chanel No 5 en olijfzeep, bleef hangen. Ze pakte een tas van de kapstok. Streelde het zachte rode leer. Rook er even aan. Aan de zijkant zat een rits, daar bewaarde moeder haar snoepjes. Ze voelde in het smalle vakje. Alleen een stuk verkreukeld papier. Aan de gele randen te zien had de tas dit al lang bij zich. Maya vouwde het krantenartikel voorzichtig open. Borderliners hebben levenslang? Haar ogen vlogen over de regels.


Onvermogen om op adequate wijze om te gaan met gevoelens - moeite met het onderhouden van contacten - impulsiviteit - stemmingswisselingen - woede uitbarstingen - zwartwit denken.


Dat was haar moeder. Ze hoorde haar schelle stem. Voelde haar warme adem op haar wang.


‘Ja, ja natuurlijk wist ik het wel, maar ik wilde jou er niet mee lastigvallen. Ik heb alles netjes achtergelaten toch. Of niet soms?’


Ze rilde. Het was alsof haar moeder naar haar keek. Verwijtend, de kritiek lag op het puntje van haar tong. Het beeld werd steeds scherper. De uitdrukking op haar moeders gezicht, uitdagende ogen. Haar mooie, zachte buitenkant als bedrieger achter een hard onzichtbaar schild.


De woorden van haar vader kwamen terug uit een afgesloten hokje van haar geheugen. ‘Je moeder is ziek. Ze weet het zelf niet. Ik kan haar niet alleen laten.' Ze schoof langs de muur van het smalle gangetje langzaam naar de grond. Staarde naar het artikel in haar handen. In elkaar gedoken bleef ze zitten. Waarom, waarom, waarom bonkten de woorden in haar hoofd. Iemand had je kunnen helpen, mama.


Ze moest kracht zetten om de deur achter zich dicht te trekken. De wind werkte haar tegen. In een laatste vlaag dwarrelden enkele snippers vergeeld, vochtig krantenpapier haar snel achterna en kleefden aan haar jas. Ze schudde ze eraf.


Lievelingslied

De kist schoof langzaam naar achteren. De klanken van haar moeders lievelingslied begeleidden de onomkeerbare aftocht. De langgerekte uithalen van de zangeres deden nog een laatste poging om door de gesloten deuren heen te dringen, voordat ze definitief het zwijgen werden opgelegd. Net als haar moeder. Het was Anne nog niet gelukt om de stem van haar moeder uit haar hoofd te krijgen. Elke nieuwe nacht was een variatie op dezelfde nachtmerrie. Moeder bleef maar praten, terwijl haar eigen mond alleen geluidloos bewoog.


'Wil je me nu alsjeblieft met rust laten mama', fluisterde ze in haar gevouwen handen.


De mevrouw van het hospice had haar, de enige dochter, dagelijks gebeld. Elke keer als haar telefoon trilde, voelde ze een warme gloed naar haar wangen trekken. Alsof haar doodzieke moeder elk moment de telefoon uit de hand van haar begeleidster zou rukken om haar dochter op haar plichten te wijzen. Ze nam ieder gesprek aan met een kort ‘ja’, hopend dat het de laatste keer zou zijn. Met moeite luisterde ze naar de zachte stem van de vrijwilligster. Bij die stem hoorde het onbegrip dat ze in de ogen van de vrouw had gelezen bij hun kennismaking.


‘Wat fijn dat u mijn moeder wilt begeleiden in de periode die nog voor haar ligt’, had Anne zichzelf bij het afscheid gedwongen te zeggen.


Voor de afscheidsmuziek had ze tante Greet gebeld, haar moeders oudste zus. Anne wist niets van haar moeder. Geheugensporen uit haar kindertijd waren al lang gewist. De spaarzame persoonlijke wetenswaardigheden kwamen van horen zeggen. Haar moeder praatte veel, maar nooit over zichzelf. Niet echt.


‘Maar Anne, je weet toch nog wel dat Ich bin wie du je moeders lievelingslied was. Dat zong ze toch vaak?’, vroeg tante Greet verbaasd.


‘Ach ja. Sorry tante. Ik was het vergeten.’


Een koele hand op haar wang, bracht haar terug in het huidige moment. Even zocht ze troost in die eenvoudige aanraking. Vanachter haar donkere bril liet ze haar blik vluchtig over het vertrouwde gezicht glijden. Tante Greet, de enige die haar echte pijn begreep. Anne stond op om naast haar tante achter de menigte aan te lopen. Ze voelde enkele haren pijnlijk samenspannen tussen haar gevlochten knot en zachte huid en probeerde ze los te trekken. Haar nek knakte twee keer toen ze hem voorzichtig bewoog. Iedereen zou haar kalmte wijten aan de juiste dossering valium.


Twee maanden geleden, toen haar moeder urenlang aan de telefoon had gehangen, was het gebeurd. Toen voelde Anne iets dat ze niet kende vanuit haar tenen naar boven kruipen. De laatste woorden van haar moeder hadden een knop omgezet in haar hoofd. Het adres van het hospice was in de prullenbak beland.


Anne nam haar plek in de rij voor het handen schudden in, rechts van tante Greet. Morgen ging ze háár lievelingslied zingen. Heel hard. Elke dag opnieuw.


‘Ik ben niet als jou mama.’


De auto rijdt rechtstreeks een versneld afspelende film binnen. Mijn ogen flitsen van de wijzers op het dashboard terug naar de weg. Hoewel mijn hersenen ‘remmen’ schreeuwen, houdt mijn voet blijkbaar toch het gaspedaal op de goede snelheid. Aan de hand van de voorbij vliegende voorwerpen probeer ik me mijn bestemming te herinneren. Het voelt als het memoriespel waarin ik altijd van mijn jongere buurjongen verloor. Het lukt me maar niet om de diverse herkenningspunten samen te voegen tot een congruent geheel. Met mijn wijsvinger druk ik de zonnebril omhoog tot hij mijn pas geverfde wenkbrauwen raakt. Hadden we de auto moeten laten controleren voor vertrek?  ‘Begin uitgerust aan je vakantiereis’, schiet het door mijn hoofd. Hoe realistisch is die slogan eigenlijk?


Vanwege de gevoelssnelheid, die in mijn hoofd blijft rondspoken, durf ik mijn blik niet te lang van de weg af te houden. Het adres op de navigatie zegt me niets. Ronald moet het ingetikt hebben, vlak voordat hij zijn oren afsloot met oranje dopjes en zich achter zijn slaapmasker verschool. Ik overweeg het roodzijden lapje van zijn neus te trekken en hem medegetuige te maken van mijn vreemde snelheidssensatie, maar ik wil de sfeer niet gelijk al verpesten. Deze vakantie zou onze laatste kunnen zijn. Ik wring mijn gezicht in allerlei bochten in een poging de spanning los te laten en verwerp de gedachte meteen. Onmogelijk. Zonder mij zou hij verloren zijn. Een pijnscheut in mijn arm brengt me terug in het huidige moment.


‘Jezus trut, je rijdt als een gek! Wil je me dood hebben?’


Ronalds hand klauwt zich rond de spieren in mijn bovenarm, terwijl hij met zijn andere hand een ruk aan het stuur geeft. De grote eikenboom verandert pas in de allerlaatste seconden van richting, waardoor we er net langschampen. Ik breng de auto weer op de juiste snelheid en schuif de zonnebril in mijn haar, om beter contact met Ronald te kunnen maken.


Wanneer ik wil proberen uit te leggen dat ik helemaal niet te hard reed, boort een ondefineerbaar voorwerp zich door de vooruit heen. Met twee voeten belaag ik het rempedaal, alsof ik zo de controle terug kan krijgen. In de draaikolk waarin ik de auto heb gebracht vang ik een flits op van de scherf in Ronalds voorhoofd, die zich dwars door het omhooggeschoven slaapmasker heeft vastgewerkt in de dunne huid. Het stelpende effect van het masker is al uitgewerkt en wanneer ik het spoor van de bloedstroompjes volg komt de auto krakend, als een dronken spookrijder, tot stilstand in de middenberm.


Ik wil niet gillen en slik grote happen lucht door. Mijn hart bonkt steeds sneller tegen de strakke stof van mijn shirt. Het bladerdak van de grote eik raakt het ene moment bijna mijn gezicht om daarna weer snel mijn rug te geselen. Ronald rent heen en weer om met het extra touw dat hij aan de onderkant heeft bevestigd, de schommel op te zwepen tot in de wolken. Ik wil niet meer bang zijn. Niet laten zien hoe bang ik ben. Het ruwe touw schuurt tegen mijn samengeperste handpalmen en vingertoppen.


‘Stop, Ronald, stop, ik wil niet meer.’ 


Mijn buurjongen laat het touw onmiddellijk los, maar geeft de houten plank van de schommel een zwieper zodra ik binnen zijn bereik kom. In de draaikolk vang ik telkens een glimp van zijn gezicht op. Hij lijkt op een dier, zoals hij daar staat, wijdbeens zijn gezicht verwrongen in een uitdrukking die niet bij zijn leeftijd past.  Die dag besef ik voor het eerst dat hij me nodig heeft, dat we bij elkaar moeten zijn. Zodra ik durf spring ik van de schommel en belandt bovenop hem.


Ik buig over Ronald heen om zijn gordel los te klikken en laat zijn hoofd voorzichtig tegen mijn schouder rusten. Geen seconde laat ik mijn blik los van de kloppende ader in zijn slaap, terwijl ik met een snelle beweging de scherf uit zijn voorhoofd trek en daarna het doorweekte slaapmasker omhoog schuif in Ronalds dikke haar.  Ondanks het bloed dat overal is, stelt de aanblik van de echte wond me gerust. De scherf heeft een keurig rood driehoekje boven zijn wenkbrauw getatoeëerd. Ronalds tranen druppen vanachter zijn gesloten oogleden langs de dunne spaghettibandjes van mijn hemdje mijn decolleté in. Pas dan besef ik hoe koud ik het heb. De zon die zich genadeloos door het grillige gat in de voorruit van de gestrande auto boort weet mij niet te bereiken.


‘Ronald, wordt wakker, het komt goed, ik ben er nog,’ herhaal ik achter elkaar, constant aan zijn haar trekkend.


Terwijl ik me probeer te focussen op zijn vertrouwde ademhaling, wordt mijn blik getrokken naar de houten plank die tegen de achterkant van Ronalds rechterschouder rust. Twee stukken gerafeld dik touw steken in beide hoeken omhoog als onkruidspruiten in een slecht bijgehouden moestuin.


‘Ronald, kan je me horen?’ Ik trek nu uit alle macht aan zijn haar.


‘We moeten er aan denken dat we het touw van de schommel onder de oude eikenboom vervangen, wanneer onze kinderen oud genoeg zijn om te schommelen.’


 




Het touw

 Nyceway kvk 77856260   btw-id NL003250712B29                              Er staat copyright op alle teksten op deze site; ze mogen niet zonder toestemming van de auteur elders gebruikt worden

Zonder zelf kleiner te worden

kan men anderen doen groeien

                                                     Lao Tzu

 o